Het Strafrecht

Strafrecht
In het strafrecht zijn de regels vastgelegd waaraan burgers zich moeten houden. Houdt iemand zich niet aan deze regels, dan pleegt hij een strafbaar feit en moet hij wanneer de officier van justitie dat wil, als verdachte voor de rechter verschijnen. Er zijn twee soorten strafbare feiten: overtredingen en misdrijven. Overtredingen zijn relatief lichte vergrijpen, misdrijven zijn ernstigere feiten. Alle strafbare feiten staan in wetten, bijvoorbeeld in het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wegenverkeerswet.
Hoofdpersonen in het strafrecht
In het strafrecht komen de volgende hoofdpersonen voor:
Het slachtoffer
Het slachtoffer van een strafbaar feit moet zo snel mogelijk aangifte doen bij de politie. De officier van justitie kan de zaak voorleggen aan de rechter. Vaak heeft het slachtoffer schade geleden. Hij kan proberen deze schade vergoed te krijgen door aan de officier van justitie te vragen zijn schade bij de rechter te claimen. Dit heet voegen. Een slachtoffer kan een voegingsformulier invullen om zijn schadevergoeding in het proces op te nemen. Het slachtoffer kan ook zelf een burgerlijk proces tegen de verdachte starten. Ook wanneer de rechter vindt dat de claim van het slachtoffer niet zo eenvoudig is, kan deze beslissen dat die claim in een civiele procedure moet worden ingebracht, en niet in de strafzaak wordt behandeld. Eventueel kan de rechter wel een voorschot toewijzen. Daarnaast kan een slachtoffer een eenmalige uitkering aanvragen bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
De politie
De politie maakt een verslag van de aangifte van een slachtoffer. Dat verslag heet een proces-verbaal. De politie doet ook zelf onderzoek om strafbare feiten op te sporen en bewijzen te verzamelen. Het proces-verbaal en eventuele bewijsstukken stuurt de politie door naar de officier van justitie. Deze bepaalt of hij een zaak aan de rechter wil voorleggen of niet. Hij moet er ook voor zorgen dat uitspraken van de strafrechter worden uitgevoerd. Zowel de politie als de officier van justitie kunnen dwangmiddelen toepassen. Bekende dwangmiddelen zijn bijvoorbeeld iemand fouilleren of vasthouden op het politiebureau. Zij moeten zich daarbij wel aan strenge regels houden. Die regels staan ook in de wet, met name in het Wetboek van Strafvordering en de Politiewet 1993. De rechter controleert of de regels wel goed worden toegepast.
De rechter-commissaris
Soms moet een officier van justitie een diepgaand onderzoek doen om een strafbaar feit te kunnen bewijzen. Hiervoor moet hij toestemming vragen aan de rechter-commissaris. Dat is de rechter die het onderzoek leidt. De rechter-commissaris kan speciale zware dwangmiddelen toepassen zoals het aftappen van een telefoon. Hij kan ook getuigen en deskundigen horen.
De strafrechter
Als de officier van justitie besluit een zaak voor de strafrechter te brengen, dan komt er een zitting. De verdachte wordt opgeroepen door middel van een dagvaarding met daarin de tenlastelegging.
De strafrechter leidt het onderzoek ter terechtzitting. Eerst gaat hij na of aan alle formele eisen is voldaan (formele vragen).
1. is de dagvaarding geldig?
2. is de zaak aangebracht voor de juiste rechter?
3. zijn er geen redenen waarom deze zaak eigenlijk niet had mogen worden voorgelegd, met andere woorden: is het Openbaar Ministerie ontvankelijk?
4. is er reden om de zaak te schorsen?
Pas als alles in orde is, gaat de rechter de zaak inhoudelijk beoordelen. Hij moet daarbij de volgende (materiële) vragen beantwoorden:
1. is het ten laste gelegde bewezen? Zo nee, vrijspraak
2. is het bewezen verklaarde strafbaar? Zo nee, ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet-strafbaarheid feit
3. is de verdachte strafbaar? Zo nee, ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet-strafbaarheid dader
4. welke straf moet worden opgelegd? Dit is de veroordeling.
De officier van justitie (OvJ)

Deze kan getuigen en deskundigen oproepen om op de zitting verklaringen af te leggen over de feiten en/of de verdachte. De verdachte en zijn advocaat kunnen de officier van justitie vragen om oproeping van getuigen en deskundigen Als zo’n verzoek tijdig is gedaan, is de officier van justitie verplicht daaraan te voldoen, tenzij duidelijk is, dat de gevraagde getuigen of deskundigen niets relevants kunnen bijdragen. De rechter spreekt direct na de zitting of uiterlijk veertien dagen daarna het vonnis uit.
De verdachte en zijn advocaat
Als de politie of de officier van justitie een redelijk vermoeden heeft dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd, dan spreken we over een verdachte. Een verdachte is nog geen dader. Onder ‘dader’ wordt verstaan degene die een strafbaar feit heeft gepleegd, en het strafproces dient er juist toe vast te stellen of de verdachte dat heeft gedaan. Wie wordt verdacht van een strafbaar feit, doet er over het algemeen verstandig aan een advocaat in te schakelen. De advocaat (in dit verband vaak raadsman (raadsvrouw) genoemd), verdedigt de rechten van de verdachten tegenover politie en justitie en verdedigt de verdachte op de zitting. Iedereen heeft het recht zich te laten bijstaan door een advocaat. Wie zelf geen advocaat kan betalen, krijgt een advocaat toegewezen door de Raad voor de Rechtsbijstand. Hiervoor zal hij een eigen bijdrage moeten betalen, die afhankelijk is van het inkomen.
De getuige
Een getuige is iemand die iets kan vertellen over een bepaalde strafzaak. Dat kan bijvoorbeeld iemand zijn die een belangrijke verdachte heeft gezien. Getuigen die op verzoek van de officier van justitie worden gehoord, noemen we getuigen à charge. Zij leggen meestal een belastende verklaring af voor de verdachte. Getuigen die de verdediging oproept, noemen we getuigen à decharge. Zij proberen in de meeste gevallen de verdachte vrij te pleiten.
De reclassering
De reclassering helpt mensen die met het strafrecht in aanraking komen. Op verzoek van de rechter onderzoeken medewerkers van de reclassering bijvoorbeeld hoe een verdachte woont, of hij werkt en of hij familie heeft. Soms bemiddelt de reclassering tussen dader en slachtoffer. Zij begeleidt verder mensen die door de rechter zijn veroordeeld.
Procedure in het strafrecht
Degene die in een strafproces is verwikkeld, krijgt vaak met verschillende rechterlijke instanties te maken. In Nederland houden drie instanties zich met strafrechtprocedures bezig:
de rechtbank (waartoe ook behoort de kantonrechter);
het gerechtshof;
de Hoge Raad.
Lang niet alle strafzaken worden aan de rechter voorgelegd: in het strafrecht bestaan ook andere procedures. De politie kan sommige zaken bijvoorbeeld zelf helemaal afhandelen. Dat kan ook de officier van justitie.
De rechtbank
Alle strafzaken worden in eerste instantie behandeld door de rechtbank. Er zijn dan drie mogelijkheden.
Kantonrechter
De sector kanton van de rechtbank (de kantonrechter) behandelt alleen overtredingen en een misdrijf stroperij. Vaak gaat het om zaken waarin de politie of de officier van justitie een schikkingsvoorstel heeft gedaan. Als de verdachte niet op zo’n voorstel ingaat, komt de zaak bij de kantonrechter. De verdachte ontvangt dan een dagvaarding waarin precies staat waarvan hij wordt verdacht.
Behalve door dagvaarding, kan de verdachte ook op andere wijze bij de kantonrechter ontboden worden en wel door oproeping. Een oproeping wordt uitgereikt door de verbalisant die de verdachte bij het feit heeft geverbaliseerd. Een oproeping wordt ingevuld op de mini-bon die de verdachte van de verbalisant ontvangt. De overhandiging van deze mini-bon geldt dan als uitreiking van de oproeping. De weigering van de verdachte om de mini-bon in ontvangst te nemen wordt eveneens als uitreiking beschouwd. Daarvan moet door de verbalisant dan wel melding worden gemaakt. Oproeping kan enkel bij de kantonrechter en niet voor alle feiten. Er zijn voorts nog enkele regels aan gebonden, waarvan misschien wel de belangrijkste is dat een oproeping enkel kan worden uitgereikt wanneer de verdachte door de verbalisant op heterdaad wordt betrapt.
De oproeping maakt voor een verdachte nog altijd niet duidelijk waarvan hij/zij wordt verdacht. Het Openbaar Ministerie verzendt daarom standaard aan de verdachte voorafgaand aan de zitting een op een dagvaarding lijkend document; de aanvulling/verbetering oproeping. Dit document heeft vanaf dat moment dezelfde werking als een dagvaarding zou hebben gehad; het is de grondslag van het geding voor de kantonrechter.
Oproepingen worden doorgaans uitgereikt aan verdachten waarvan de politie vermoedt dat zij moeilijk traceerbaar zullen zijn en derhalve misschien geen dagvaarding zouden kunnen ontvangen. Denk hierbij aan mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats of aan buitenlandse toeristen. Zo bezien is het oproepingsysteem in het belang van de (rechtsbescherming van) de verdachte. Toch wordt ook aan ‘reguliere’ verdachten regelmatig een oproeping uitgereikt.
Oproepingen worden voorts ook vaak ingetrokken, in de meeste gevallen omdat het Openbaar Ministerie er niet in slaagt de zaak op tijd rond te krijgen voor de zittingsdatum. De verdachte krijgt daarvan schriftelijk bericht, onder toezegging dat hij/zij t.z.t. een dagvaarding zal ontvangen.
Ook in een oproepingszaak kan de verdachte nog schikkingsvoorstellen ontvangen.
Kantonrechterzittingen zijn vaak ‘bulkzittingen’. In sommige arrondissementen is het gebruikelijk dat meer dan 100 verdachten op de zittingslijst staan (d.w.z. gedagvaard of opgeroepen zijn om op die dag voor de kantonrechter te verschijnen) Omdat het merendeel van de verdachten niet verschijnt ter zitting, levert dit doorgaans geen grote problemen op. Maar incidenteel kan zulks natuurlijk wel leiden tot een extreem lange zitting, met lange wachttijden voor de verdachten als gevolg.
Anders dan bij de politierechter en meervoudige kamer worden de verdachten bij de kantonrechter meestal niet een voor een naar binnen geroepen. Alle verschenen verdachten moeten gewoon in de zittingzaal plaatsnemen, nadat zij zich hebben gemeld bij de deurwaarder in de zittingzaal. De deurwaarder roept vervolgens de naam van de partij welke aan de beurt is.
Ter zitting zal de kantonrechter eerstens de personalia van de verschenen persoon controleren. Vervolgens dient de verdachte te worden gewezen op zijn of haar zwijgrecht (de cautie) en vaak benadrukken rechters ook dat de verdachte goed moet opletten wat er gebeurt. Anders dan bij de politierechter en de meervoudige kamer, draagt de officier van justitie de zaak bij de kantonrechter niet voor (wat eigenlijk neerkomt op het voorlezen van de dagvaarding). De kantonrechter deelt de verdachte simpelweg mede waarvan hij/zij wordt verdacht.
De rechter onderzoekt op de zitting of de verdachte veroordeeld dient te worden of niet, en zo ja, welke straf dient te worden opgelegd. De officier van justitie geeft zijn of haar mening over de zaak en vordert de op te leggen straf in het requisitoir. De verdachte kan zich tegen de beschuldiging(en) verdedigen en mag daarbij zelfs liegen. Op straffe van nietigheid van het geding mag de verdachte altijd als laatste nog iets zeggen (laatste woord). De kantonrechter sluit vervolgens het onderzoek ter terechtzitting en doet dan meestal direct mondeling uitspraak. Tegen de meeste uitspraken is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof.
Niet-kantonzaken (sommige overtredingen en alle misdrijven, behalve stroperij) komen voor de politierechter of de meervoudige strafkamer van de rechtbank.
Politierechter en meervoudige kamer
Eenvoudige zaken worden door één rechter behandeld, de politierechter genoemd. De politierechter doet meestal meteen mondeling uitspraak. Moeilijkere of zwaardere zaken (waarin meer dan een jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd) worden door drie rechters bekeken. Ook nu komt eerst de officier van justitie aan het woord en daarna de verdachte of diens advocaat. De rechters bij de rechtbank doen veertien dagen na de zitting uitspraak. Tegen die uitspraken is in principe hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof. Bij de rechtbank werkt een aantal gespecialiseerde rechters. De economische politierechter houdt zich bezig met economische vergrijpen, bijvoorbeeld overtreding van de winkelsluitingswet of de warenwet. De kinderrechter behandelt zaken waarin kinderen worden verdacht van het plegen van strafbare feiten.
Het gerechtshof
De raadsheren van het gerechtshof behandelen in het algemeen alleen zaken in hoger beroep. Zij bekijken nog eens wat er precies is gebeurd en luisteren opnieuw naar de verhalen van het openbaar ministerie en de verdachte. Het gerechtshof hoeft geen rekening te houden met uitspraak van de rechtbank. Iemand die in eerste instantie is veroordeeld, kan dus worden vrijgesproken, maar ook een hogere straf krijgen.

 

De Hoge Raad
Partijen die het niet eens zijn met een uitspraak kunnen bij de Hoge Raad in cassatie (een speciale vorm van hoger beroep) gaan. De raadsheren van de Hoge Raad kijken dan niet opnieuw naar de feiten van een strafzaak, maar onderzoeken alleen of het gerechtshof alle rechtsregels goed heeft toegepast. Als dat niet zo is, kan de Hoge Raad een andere of een ander hof aanwijzen, die dan opnieuw naar de zaak kijken met inachtname van de uitspraak van de Hoge Raad.
Alternatieve procedures
Strafzaken duren vaak heel lang en kosten de Nederlandse overheid veel geld. In sommige gevallen is het daarom beter te zoeken naar een alternatieve procedure. Zowel de politie als de officier van justitie kunnen in bepaalde gevallen proberen de zaak zelf af te handelen. De officier van justitie kan bijvoorbeeld de verdachte een transactie aanbieden. Gaat de verdachte hierop in, dan betaalt hij een bepaald geldbedrag en is hij van de zaak af. We noemen dit ‘schikken’. De verdachte en het slachtoffer kunnen soms ook samen een afspraak maken over de manier waarop de zaak moet worden afgehandeld. We noemen dit ‘dading’. Kleine verkeersovertredingen worden afgehandeld via het Centraal Justitieel Incasso Bureau. Dat stuurt automatisch een acceptgiro naar de overtreder. Bij sommige strafbare feiten, bijvoorbeeld bij voetbalvandalisme, wordt vaak snelrecht toegepast. Dat betekent dat de verdachten binnen een paar dagen voor de rechter moeten verschijnen en hun eventuele straf meteen moeten uitzitten. We praten in deze gevallen over lik-op-stukbeleid.
Beslissing van de rechter
Een rechter kan in een strafzaak verschillende beslissingen nemen. Als niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, wordt de verdachte vrijgesproken. Is het tenlastegelegde feit wel bewezen, maar is het niet strafbaar, of is de verdachte niet strafbaar omdat hij bijvoorbeeld uit noodweer heeft gehandeld of omdat hij ontoerekeningsvatbaar is, dan wordt de verdachte ontslagen van rechtsvervolging. Als de rechter vindt dat iemand wel schuldig is en daarvoor ook moet worden gestraft, dan kan hij verschillende soorten straffen opleggen. Hij kan een gevangenisstraf of een geldboete opleggen of iemand veroordelen tot een taakstraf. Een taakstraf betekent dat een dader een tijd onbetaald werk moet doen. In de wet staat bij elk strafbaar feit welke straf een rechter maximaal op kan leggen. Een rechter kan verder onvoorwaardelijk of voorwaardelijk straffen. Onvoorwaardelijk betekent dat iemand meteen zijn straf moet ondergaan. Voorwaardelijk betekent dat de straf even wordt uitgesteld. De dader moet zich dan gedurende een proeftijd aan bepaalde afspraken houden. Doet hij dat niet, dan wordt zijn straf alsnog tenuitvoergelegd. Houdt hij zich wel aan de afspraken, dan komt de straf te vervallen. Naast straffen kennen wij in Nederland ook zogenaamde maatregelen. Voorbeelden van maatregelen zijn het betalen van schadevergoeding aan het slachtoffer en de terbeschikkingstelling (tbs).